![]() |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||
![]() |
NS 125 'Oersik' |
||||||||||
Info over de locomotief:
|
|||||||||||
Na de Eerste Wereldoorlog (1914 - 1918) had Nederland het economisch zwaar. Vanaf de jaren '20 begon de welvaart toe te nemen en kreeg het spoor steeds meer concurrentie van het opkomende autoverkeer. Bussen, personenauto's en vrachtwagens waren in opkomst en wonnen steeds meer terrein van de trein. Veel tram- en treinbedrijven zochten oplossingen om de exploitatie goedkoper uit te voeren om zo te kunnen concurreren. Veel stoomlocomotieven werden vervangen door goedkopere benzine-, diesel- of elektrische treinen of trams. Een stoomlocomotief moet uren van tevoren al worden opgestookt voordat de machine kan worden ingezet. Naast kolen en water kost dit ook veel loon voor het personeel. Ook waren voor een stoomloc altijd een machinist en een stoker nodig; op nieuwer materieel is een stoker niet meer nodig en het nieuwe materieel kan zo worden opgestart als ze nodig zijn. Naast nieuwe locomotieven en treinstellen werden voor lokaalspoorlijnen nieuwe motorwagens gebouwd. Het nieuwe materieel is ook goedkoper in onderhoud. Na de oprichting van het samenwerkingsverband Nederlandsche Spoorwegen, in 1917, werkte NS hard om de dure stoomlocomotieven te vervangen. In 1927 bestelde NS haar eerste benzinelocomotief. De locomotief was een proeflocomotiefje uit Duitsland met het nummer 101. De loc had slechts een vermogen van 30 pk en een maximale snelheid van 10 km/u. De locomotief was voorzien van treeplanken aan de zijkant waarvandaan de rangeerder of machinist de loc kon bedienen. Twee jaar later werd nog een prototype gebouwd door dezelfde fabrikant, de 102. De 102 had wel een dak voor de rangeerder of machinist en de maximale snelheid werd verhoogd van 10 km/u naar 30 km/u. NS was zeer te spreken over deze locomotief. Tussen 1930 en 1932 liet NS nog 50 locomotieven, met de nummers 103 t/m 152, bouwen. Ongeveer de eerste helft van de locomotieven, de 103 t/m 130, kreeg een appelgroene kleur. De 131 t/m 152 werden in het donkergroen geleverd. De seriebouwlocomotieven hadden een vermogen van 50 pk en een maximale snelheid van 30 km/u. De rangeerlocs mochten door hun simpele bediening naast machinisten ook bediend worden door rangeerders. De rangeerders hadden een lager loon, wat de locomotieven ook goedkoper maakte. De locomotieven werden verdeeld over middelgrote stations en werkplaatsen voor rangeerwerkzaamheden. De NS 100'en waren te zwak en te langzaam om goederentreinen op de hoofdbaan te rijden. Daarom plaatste NS in 1934, twee jaar nadat de laatste locomotief was geleverd, een proeforder van 12 locomotieven bij Werkspoor in Amsterdam. Deze nieuwe diesellocomotieven hadden een dicht machinistenhuis en een vermogen van 72 pk en een maximale snelheid van 65 km/u. Zo konden deze locomotieven ook lichte goederentreinen rijden op de hoofdbaan. De locomotieven kregen de nummers 201 t/m 212. De locomotieven kregen door het mekkerende geluid van de uitlaat, die als fluit werd gebruikt, de bijnaam Sik. De serie NS 100, de voorloper van de Sik, kreeg hierdoor de bijnaam Oersik. De Sikken waren zo'n succes dat tussen 1935 en 1940 nog 109 machines werden gebouwd. Al sinds de komst van de eerste Sikken verkocht NS enkele van haar Oersikken aan bedrijven, doordat de locomotieven niet meer nodig waren. Tijdens de oorlog werden een aantal Oersikken en maar liefst 72 Sikken meegenomen naar het oosten, waarvan uiteindelijk de meeste Oersikken en 60 Sikken terugkeerden. Om de Oersikken en Sikken te vervangen die tijdens de oorlog sneuvelden, werden tussen 1948 en 1951 nog eens 48 nieuwe Sikken besteld. Door de komst van de nieuwe Sikken werden de laatste Oersikken bij NS in 1950 buitendienst gesteld. In hetzelfde jaar kocht Spoorijzer in Delft 11 Oersikken van NS. Spoorijzer gaf de locomotieven een grondige revisie. De benzinemotoren met een vermogen van 50 pk werden vervangen door dieselmotoren met 65 pk. Na de revisie verkocht Spoorijzer alle locomotieven aan bedrijven. De 122 rangeerde zelfs tot in de jaren '90 bij Suikerfabriek Vlaanderen in Moerbeke. Oersik 125 is in 1931 gebouwd door Werkspoor in Amsterdam. Na zijn tijd bij NS werd de 125 verkocht aan de IJsselcentrale in Hengelo. Hier deed de 125 dienst in de geel-grijze huisstijl van NS. De 125 werd in 1984 overgedragen aan de Museum Buurtspoorweg. Intern kreeg de loc het nummer 15 bij de MBS. In de winter van 2016 op 2017 is de 125 voorzien van de donkergroene NS-kleur. In 2019 is de locomotief als monument voor het station van Haaksbergen geplaatst. In 2025 werd het emplacement van station Boekelo verbouwd. De 125 werd vanuit Haaksbergen overgebracht naar Boekelo. Daar werd de loc met twee kolenwagons langs een perrontje neergezet. |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||
De NS 125 staat voor het station van Haaksbergen. Najaarsstoomdagen 2023, 14 oktober 2023. © TreinenInNederland.nl |
|||||||||||
Oersik NS 125 / IJsselcentrale Hengelo 2 / MBS 15 staat in het Museumdepot te Boekelo te wachten op revisie. 23 oktober 2016. © TreinenInNederland.nl |
|||||||||||